Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen het min. perceptibile, 't welk als slechts zeer dicht bij 't centrum gelegen netvliesdeelen onderzocht werden, na 15—20 min. 400 X was toegenomen, maar ook de toename van de „Unterschiedsempfindlichkeit". Om deze na te gaan, gebruikte hij verschillende graden van grijs; zóó gemeten vond hij den lichtzin 20 a 120 X toenemen. Ook de toename van de centrale gezichtsscherpte en van de gevoeligheid, gemeten met den photometer van Förster en diens objecten, werd bepaald en de uitbreiding van het gezichtsveld bij zwakke verlichting als donkeradaptatie optreedt.

Wolffberg !) heeft als bezwaar tegen de bepalingen der drempelwaarde, zooals o.a. Treitel die volgens de boven beschreven methode doet, aangevoerd, dat deze eigenlijk bepalingen der „Unterschiedsempfindlichkeit" zijn, daar behalve het witte object ook de zwarte grond licht reflecteert.

Dit bezwaar bestaat niet bij de zg. adaptometers van Nagel 2) en Piper 3) en den door Otto Roelofs en Zeeman gebruikten photoptometer, die in beginsel overeenkomen en waarvan ik alleen de laatste bij ons eigen onderzoek zal beschrijven. _

Piper 3) gebruikte een object van 10 bij 10 c.M., waarvan de onderzochte op 30 c.M. afstand gezeten was (hoekgrootte 180 zijde, 26° diag.). Vóór 't onderzoek werd 1/4—1 uur licht-geadapteerd buiten. Hij vond gedurende de eerste 7 a 8 min. van het donkerverblijf

!) Über die Prüfung des Lichtsinns v. Gr. Arch. 31. 1. 1885. 2) Helmholtz : Handbuch der physiologischen Optik 2.

s) Über Dunkeladaptation Zschr. f. Psych. und Physiol. der Sinnesorg. 31. 1903.

Sluiten