Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wölfflin1) vindt duidelijke afname der gevoeligheid buiten 20—220.

Vaughan en Boltunow 2) vonden dat bij lichtadaptatie de gevoeligheid voor rood, groen en blauw centraal 't hoogst is en dat ze naar de peripherie voor alle kleuren gelijkmatig afneemt, op io° tot i/4. Ze zijn van oordeel, dat dit nu wel voor elke lichtsoort zakgelden.

b. Gezichtshoek: Reeds Förster en Aubert wezen op de beteekenis van den gezichtshoek.

Treitel3) zegt, dat de adaptatiebreedte met de grootte van den gezichtshoek toeneemt. De resultaten van deze auteurs zijn zeker ten deele uit a te verklaren, daar wellicht bij meerdere hoekgrootte meer periphere netvliesdeelen geprikkeld werden.

Piper 4) vond bij onderzoek van de netvliesperipherie (de binnenrand van het netvliesbeeld lag minstens 20—250 van de fovea) bij sterke donkeradaptatie voor een object, bv. 100 X zoo groot als een ander, de drempelwaarde i/io X zo° groot, of L V F = C, waarin L de drempelwaarde, F de oppervlakte van 't object voorstelt. Bij lichtadaptatatie zou voor de netvliesperipherie de invloed van de objectgrootte minimaal of nul zijn.

Volgens Stargardt 5) is de invloed v. d. objectgrootte veel minder groot.

*) v. Gr. Arch. 76. 1910.

s) Zschr. f. Psych. u. Physiol. 42. 1907.

8) Über das Verhalten der normalen Adaptation v. Gr. Arch. 1887.

4) Zschr. f. Psych. u. Physiol. der Sinnesorg. 32. 1903.

6) v. Gr Arch. 73. 1910.

Sluiten