Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn. De curven geven de geometrische toename weer, op de ordinaat vindt men de log. van de gevoeligheid (Best).

Beschouwen we deze curven, (de curven N op pag. 15) dan blijken deze voor beiden in hoofdzaak 't verloop te hebben, zooals Best dat vónd uit de waarnemingen van Piper. Het algemeene type is dus: in den aanvang sterke stijging, die later steeds minder wordt, dus niet geheel overeenkomstig de meening van Best, die in de eerste 12 minuten gelijkmatige stijging vond. Het is uit de curven zeer duidelijk te zien, dat de gevoeligheidstoename van 1 — 5 min. sterker is dan die van 5—10 en deze weer sterker dan die van 10—15 min. In 't verdere verloop der curve is dit type niet zeer duidelijk, maar men bedenke, dat de waarnemingen weinige en hier moeilijk zijn.

De curven van beide personen gelijken sterk op elkaar. De aanvangsgevoeligheid is bij beiden gelijk, nl. 21.5, de eindgevoel gheid is het grootst bij R. nl. 48938. Bij OR bedraagt ze 39150. De gevoeligheid neemt dus bij OR bijna, bij R. wat meer dan 2000 X toe*

Bij eenige andere normale en jeugdige personen is eveneens de adaptatie onderzocht. De curven bleken alle 't zelfde verloop te hebben. De AG. wisselt bij de verschillende individuen sterker dan de EG, de uiterste waarde van de AG zijn 7, 23 en 22,9, van de EG. 27964 en 48938. In hoeverre de AG. afhankelijk zou kunnen zijn van de lichtadaptatie (door verschillende pupilwijdte) werd helaas niet nagegaan, daar de pupilwijdte tijdens de lichtadaptatie niet geregistreerd werd.

Sluiten