Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergelijken we nu deze curven met elkaar en met de „normale" curven, dan zien we, dat zoowel bij't miotisch als bij 't mydriatisch oog zoowel aanvangs- als eindgevoeligheid beneden die van het normale oog blijven. In den aanvang is 't miotisch oog gevoeliger dan 't mydriatisch, na 40 min. donkerverblijf' is 't omgekeerd. De miosis- en mydriasiscurven snijden elkaar dus, dit geschiedt bij OR. na 5 min., bij R op een tijdstip, tusschen 10 en 15 min. na t begin van het donkerverblijf.

De normale en mydriasiscurven convergeeren naar t eind der DA, daar de aanvangsgevoeligheid van 't mydriatisch oog (4,05 OR; 5,06 R.) een veel geringer fractie is van de aanvangsgevoeligheid van 't normale (bij beiden 21,5, dan de eindgevoeligheid van 't mydriatisch oog (30908 OR; 34544 R.) is van de eindgevoeligheid van t normale oog (39150 OR; 48938 R), De adaptatiebreedte bij mydrias's is grooter dan normaal.. Bij miosis is de aanvangsgevoeligheid, zooals reeds is opgemerkt, eveneens t. o. v. de normale verminderd, doch in minder sterke mate dan bij mydriasis t geval is. Ze bedraagt 5,625 bij OR; 14,46 bij R. De eindgevoeligheid is bij beiden belangrijk beneden de normale, bij OR. 5674, bij R. 5437,5; ze is tot ongeveer i/6 a l/9 van de norm. gedaald. De normale en miosiscurven divergeeren in 't verdere verloop der DA. De adaptatiebreedte is dus bij miosis verminderd.

De miosis- en mydriasiscurven van OR. vertoonen een zeer fraai regelmatig verloop, de stijging wordt in latere tijdperken der DA. steeds geringer. Dit is ook al duidelijk voor de deelen der curve tusschen 1 en 5 en 5—10 min. Alleen tusschen 30 en 40 min. komt er voor de mydriasiscurve een sterkere stijging dan voorafging.

Sluiten