Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

retina bereiken, dan verwachten we bij hen, althans bij die met gele lenzen, in 't bizonder aan 't einde der donkeradaptatie een geringer lichtgevoeligheid.

De auteurs zijn hierover geenszins eenstemmig. Sommigen geven een verminderde adaptatiebreedte aan TschermakI), Piper2). — Wölfflin3) vindt eigenlijk geen leeftijdsinvloed, slechts een weinig in 't 5e en 6e decennium.

Het leek ons daarom niet ongewenscht, eenige oude menschen te onderzoeken op:

a. geelheid der lens.

b. blauwzien.

c. donkeradaptatie.

Een juiste beoordeeling en schatting van de geelheid der lens door uitwendige inspectie bij dag-of focaallicht, leverde te groote moeilijkheden op: we beperkten ons daarom al spoedig tot de beide andere factoren.

Het blauwzien werd aanvankelijk onderzocht door de proefpersoon op eenigen afstand blauwe stippen op verschillenden grond, wit en tinten van grijs, te toonen. Bij verminderd blauwzien wordt bv. blauw op wit niet herkend, wel op grijs. Later werd de toestel van Hering gebruikt.

De donkeradaptatie werd op de gewone wijze onderzocht.

We hebben de onderstelling geuit, dat het slechter zien van oudere menschen in het donker zou berusten op 't geler worden van de lens. Deze hypothese is niet nieuw; de vraag is alleen, of ze door het experiment voldoende wordt gesteund. In verband hiermee hebben we 't volgende onderzoek gedaan; Adapteeren voor wit

!) Pflügers Archiv 1900.

2) Zschr. f. Psych. u. Physiol. der Sinnesorg. 31. 1903.

3) v. Graefe's Archiv 61. 1905.

Sluiten