Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daalde nl. bij OR. van 39150 op 24469, bij R. van 48938 °P 25533- D't pleit o.i. tegen de reflectorische regeling der DA. Deze kan wél zeer goed de verminderde DA. bij verlichting van 't andere oog in onze eerste proevenserie verklaren door (reflectorische) vermindering der gezichtspurpervorming. Bij de laatste proeven is na 40 min. een flinke hoeveelheid purper aanwezig; dit kan toch niet ontleed worden bij verlichting van 't andere oog en toch zien we in dit geval de gevoeligheid verminderen. Hier laat de reflex-theorie ons in den steek.

We zoeken liever naar een verklaring, die voor beide gevallen past.

Voorafga t volgende: Er bestaat eitelijk geen monoculair zien. Alleen als één oog contrasten en contouren waarneemt, en t andere afgesloten is, kan dat beeld zoo overwegen, dat het bedekte oog nagenoeg geen invloed heeft. Bij drempelbepalingen hebben we geen contouren en nagenoeg geen contrasten; bij monoculaire drempelbepalingen zal het bedekte oog dus al zeer spoedig zijn invloed doen gelden.

Hebben we nu dit bedekte oog van te voren door krachtige lichtprikkeling een vrij aanzienlijke stofwisseling der netvlieselementen bezorgd, dan zal de hierdoor ontstane nawerking zeer waarschijnlijk de drempelbepaling van het andere oosf storen.

Bij reflectorische regeling der DA., zouden we bovendien een veel sterker verlaging der lichtgevoeligheid van 't eene oog verwachten, als 't andere belicht wordt en liefst de gevoeligheid van beide oogen gelijk of nagenoeg gelijk willen vinden. In stede hiervan blijkt de gevoeligheid van t niet verlichte oog toch nog altijd die van een vrij sterk donkergeadapteerd oog te zijn.

Sluiten