Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

licht. Er is in beide oogen een puntvormige troebeling aan de achterste lenspool en in fundo 't beeld der atr. ret. pigm.

Pat. is bdzs. 11/2 D. myoop, heeft na correctie een AVy3 r bdzs.

Het gezichtsveld is bdzs. concentrisch beperkt, buitengrenzen boven 350, temp. 450, beneden ruim 40°, nasaal 250 Rood en blauw worden beide bdzs.' slechts tot ongeveer 8° bui ten 't fixeerpunt waargenomen.

De donkeradaptatie is nagegaan met en zonder pupilverwijding. In 't eerste geval waren de pupillen tijdens de Iichtadaptatie r < 45 en 1 50, aan het eind van 't onderzoek beide ruim 70.

Deze patiënt begint met een veel geringer, doch eindigt met een veel grooter gevoeligheid dan de vorige. De curven vertoonen geen vlak verloop, ja, de mydriasiscurven zijn geheel evenwijdig aan die van OR. (aanvangsgevoeligheid 0.45 R en 0.33 L. (normaliter: 4,05), eindgevoeligheid 3346 R en 4210 L. (normaliter: 30908).

Volgens deze curven is er dus geen adaptatiestoornis, de lichtgevoeligheid is op elk moment van het donkerverblijf een zelfde fractie van die, welke een normaal persoon onder dezelfde omstandigheden heeft (V]o)> de adaptatiebreedte als quotiënt van eind- en aanvangsgevoeligheid is normaal.

Onderzoek der DA. zonder pupilverwijding. Bij dit onderzoek was de aanvangsgevoeligheid 0,52 R en 0.58 L., de eindgevoeligheid 2212 R en 2330 L. (Curve pag. 42). Vreemd is, dat de eindgevoeligheid hier lager is dan na mydriatisatie. Vindt dit zijn oorzaak in onvoldoende pupilverwijding of is de hemeralopie wisselend? Zelfs bij deze lage eindgevoeligheid bestaat dus een ver-

Sluiten