Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De DA. wordt onderzocht na mydriatisatie. Tijdens lichtadaptatie pupillen bdzs. 45, aan 't eind max. wijd. Beide oogen vertoonen thans gelijke en normale gevoeligheid en adaptatie (R. 2,98—30908; L. 2,98—29363). De donkergezichtsvelden zijn gelijk en komen ongeveer met dat voor 't L. oog op 19 Mei beschreven overeen.

Bij deze patiente met neuritis optica (waarschijnlijk tbc) bestond dus in 't acute stadium een verminderde lichtgevoeligheid, zoowel bij begin als eind van 't onderzoek. Bij het eerste onderzoek zal de aanvangsgevoeligheid links te laag zijn gevonden (er is hier slechts één bepaling gedaan. !) Hier is dus 't trekken van een conclusie omtrent de adaptatiebreedte van 't R. oog door vergelijking met 't L. niet geoorloofd. Waar de adaptatiebreedte van 't L. oog op 19 Mei en 21 Juni telkens 10000 is, 't R. oog, hersteld, dezelfde curve vertoont als 't linker, mogen we wel concludeeren, dat de adaptatiebreedte (5000) bij 't eerste onderzoek van 't R. oog gevonden pathologisch is, en wel verlaagd. Zooals reeds is opgemerkt, is bij 't 2e onderzoek van 't R. oog bij verlaagde lichtgevoeligheid de adaptatiebreedte normaal gevonden.

2. Mej. M. W., 19 jaar, dienstbode. Lues florida.

R.O.: geen afwijkingen.

') De 1= bepaling is gwl. tweemaal verricht, om meer betrouwbare uitkomsten te verkrijgen. Nadat één bepaling was gedaan, werd opnieuw — 1111 2 min. — lichtgeadapteerd en weer de drempel bepaald, 't Is nl. gebleken, dat 't oog dan weer in denzelfden adaptatietoestand verkeert als na de 10 min. lichtadaptatie (de drempels bleken niet veranderd).

Sluiten