Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opt-atrophie van eene uit andere oorzaak (waarbij de DA. normaal of weinig gestoord zou zijn, overeenkomstig de andere functiestoornissen).

Aanvankelijk (1910) schenkt Behr geen aandacht aan de pupilwijdte, doch in 1915 zegt hij, dat stijve pupillen, die ook bij langer verblijf in het donker niet verwijden, de oorzaak kunnen zijn van verminderde lichtgevoeligheid. In deze gevallen moet dan een mydriaticum aangewend worden.

Maar nu zegt Beiir, dat na mydriatisatie de adaptatie gestoord kan zijn, zonder dat in 't verloop van jaren lange controle een opticusatrophie optreedt.

Met deze opmerking komt Behr dus in conflict met zijn tevoren geuite bewering, dat uit de verminderde DA. tot een beginnende tabetische atrophie te concludeeren zou zijn.

IgersheimerI), die geen mydriaticum aanwendt, vindt als er ophthalmoscopisch atrophie bestaat, soms verminminderde, in andere gevallen normale lichtgevoeligheid.

II. Niet-tabetische opticusatrophieën.

H. H., 38 jaar.

1907: nicotinevergiftiging, weet niet of toen het gezicht gestoord was.

1917: waas voor 't L.O. Men vond toen beiderzijds 4 D. hypermetropie, overigens geen objectieve afwijkingen; de gezichtsscherpte bedroeg J/2 R- °°g, na correctie 5/4, voor het L. J/2. Het gezichtsveld van het linker oog was temporaal beperkt tot ongeveer 350. Men vond toen een

J) Syph. u. Auge 1918 en v. Graefe's Archiv 98. 1919.

Sluiten