Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3- Mej. J., 64 jr., lage AG. 0.98, lage EG. 4833, + norm. adaptatie

4. Mej. S. L., 33 jr., norm. AG,, norm. (hooge) EG., nörm. adaptatie Atr. n. opt. luet.

5- v. B., R., lage AG. 5.96, + norm. EG. 27964, verh. adaptatie

Atr. n. opt. axial., L. lage AG. 4.6, „ „ 27964

(zonder mydriaticum).

6. v. N., 29 jr., R. norm. AG. 5.96, wat lage EG. 20250, wat geringe

adaptatie

Atr.n. opt. axial., L.norm. AG. 4.6, „ „ „ 19575 „ „ „

7. Mej. B., 26 jr., R. norm. AG. 5.96, norm. EG. 24469, norm. adaptatie

L. wat lagere AG. 3.16, verlaagde EG. 6892, verminderde

adaptatie

Ook hier geen afwijkingen in de lichtgevoeligheid zonder stoornissen van het gezichtsveld.

Samenvatting. Mijn conclusie moet dus luiden, dat bij alle opticusatrophiëen 't verloop der DA. in hoofdzaak te verklaren is uit de (donker) gezichtsvelden.

Van een sterk verminderde EG. bij tabetische opticusatrophie door laesie der „secretorische vezels", zooals Behr die aanneemt, is mij na pupilverwijding niets gebleken.

Het lijdt dan ook geen twijfel, dat ontbrekende, resp. geringe pupilverwijding in het donker de oorzaak moet zijn van de bij atr. n. opt. tabet. door hem gevonden stoornis.

Bij zijn eerste onderzoekingen over dit onderwerp heeft Behr zooals reeds gezegd, niet op de pupil wijdte gelet. In de Klin. Mon, bl. 1915 zegt hij echter, dat wanneer de reflectorisch stijve pupil ook bij langer donkerverblijf niet verwijdt, de pupil kunstmatig verwijd moet worden.

Sluiten