Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit ook het geval was bij de laatst beschreven schildklier. Echter geven de follikels een geheel ander beeld te zien: ze zijn hier in veel verder gevorderden staat van ontwikkeling; de meeste bezitten een centraal lumen, waaromheen een rand van éénlagig laag cylinderepitheel; in het midden bevindt zich een min of meer sterk eosinophiele stof, die in enkele follikels geheel het uiterlijk heeft van het homogene colloied uit volwassen schildklieren; in de meeste follikels vinden we echter een schuimachtige, licht eosinophiele massa. Ook zijn er nog talrijke follikels waar we desquamatie en kernveranderingen in het midden vinden met aanduiding van vorming van de schuimachtige massa door uiteenvallende cellen; in deze laatste follikels is het wandstandig epitheel wat hooger en nog niet overal éénlagig. Ten slotte treffen we nog enkele geheel massieve follikels aan, geheel gevuld met gelijke dichtopeenliggende cellen, waarvan enkele middelste toch reeds vaak degeneratie-teekenen vertoonen. De grootte van de follikels is uiterst wisselend. In de lymphspleten geen colloied.

6. Schildklier van een voldragen doodgeboren kind.

Wederom een zeer hyperaemische schildklier; evenals bij de twee laatst beschrevene vindt men een krans van sterk gevulde capillairen om iederen follikel; vaak zijn de capillairen zoo talrijk, dat men de omgeving van den follikel ziet als een snoer van capillairdoorsneden. In de de kwabjes omgevende bindweefselstrooken zijn talrijke groote vaten.

De desquamatie in de follikels in zeer sterk, met ondergang van celkernen en optreden van de mazige schuimachtige eosinophiele stof. Follikels met wandstandig éénlagig epitheel treft men niet aan; wel follikels, die nog geheel gevuld zijn met dicht opeenliggende epitheelcellen. Tusschen deze laatste en de follikels met geheel gedesquameerd epitheel treft men alle overgangen.

7. Schildklier van een te vroeg geboren kind: gewicht 1500 gram, lengte 43 c.M., gestorven na één maand.

Vrij breede bindweefselstrooken verdeelen de klier in kwabjes van onregelmatige grootte en vorm. In het bindweefsel loopen tamelijk veel bloedvaten. In tegenstelling echter tot de vorige schildklieren mist men hier de talrijke, sterk gevulde, breede capillairen om de follikels; wel vindt men om iederen follikel enkele smalle capillairdoorsneden. De meeste follikels zijn reeds geheel ontwikkeld, bevatten colloied en hebben een laag, éénrijig epitheel. Naast en tusschen deze vindt men follikels in wording en talrijke groepen van gelijke cellen zonder bepaalde struktuur. We vinden hier dus weer duidelijk

Sluiten