Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In verschillende sterk hyperaemische schildklieren vonden we dat een wijd capillairvat als 't ware een gracht om bijna den geheelen follikel vormde (zie b.v. schildklier 4 en 6).

Wölfler verklaart een dergelijk beeld door een blijven staan op het stadium der „lacunare Vaskularisation".

Met deze hyperaemie gaat een eigenaardige verandering van het epitheel van de follikels gepaard. De follikels zijn niet langer met colloied gevuld ; hoogstens vindt men bij uitzondering een enkele dergelijke en dan zeer kleine follikel aan de peripherie.

Het epitheel heeft losgelaten van den wand van den follikel en ligt in onregelmatige wirwar door den follikel verspreid; de cellen blijven hierbij niet onveranderd: men vindt allerlei teekenen, die wijzen op ondergang der cellen: sterk kleurbare pyknotische kleine kernen en slecht kleurbare opgeblazen groote kernen, waarin men ternauwernood nog een chromatine teekening kan waarnemen en talrijke kernschimmen. Celgrenzen zijn niet meer te zien: het protoplasma van de verschillende cellen smelt samen tot protoplasmaklompjes met enkele gedegenereerde kernen en neemt vaak een wazigen soms korreligen vorm aan. Beziet men de follikels, waarin deze celloslating het sterkste is, dan ziet men enkele kernen en kernresten in een spinragdun eosinophiele mazige substantie. Toch vindt men in de meeste follikels, die het beeld der desquamatie geven nog in grooter of kleiner aantal epitheelcellen op de follikelmembraan zitten. Vooral de schildklieren uit de laatste maanden vóór de geboorte vertoonen deze desquamatie sterk. Deze follikels, met gedesquameerde ephitheelcellen zijn verscheiden malen grooter, dan de met colloied gevulde follikels van de schildklier van den foetus voor de 6de maand.

Naast deze follikels met desquamatie treft men geregeld aan veldjes zeer dicht op een liggende cellen: de kernen zijn regelmatig rond met fraaie chromatine teekening, ze

Sluiten