Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hesselberg wil de desquamatie verklaren door druk bij den partus en meent waargenomen te hebben, dat deze minder sterk optreedt bij kleine, dan bij groote schildklieren. In de eerste plaats is het vinden van de desquamatie bij Basedowstrumae, dat we toch wel onder één gezichtspunt met de desquamatie bij den pasgeborene moeten trachten te brengen, hiermede in strijd en bovendien vindt men bij de grootste schildklieren, bij aangeboren struma, niet steeds desquamatie (zie struma IV en V) en is de graad van de desquamatie niet afhankelijk van de grootte van de struma: in de buitengewoon groote struma I was de desquamatie veel minder sterk, dan in de meer dan vijfmaal lichtere struma II.

Isenschmied beschrijft een verband tusschen den graad van vulling van de follikelcapillairen en de desquamatie: ook Hesselberg en De Quervain neigen tot deze opvatting". Volgens mijn ondervinding- is echter dit verband

O O J o

niet steeds aanwezig. Beschouwt men de isteen2devan de tien beschreven schildklieren, dan is men ook tot deze opvatting geneigd, maar de 3de schildklier, die ook zeer sterk gevulde en talrijke follikelcapillairen bezit, vertoont slechts sporen van desquamatie en in de meest hyperaemische gedeelten ontbreekt de desquamatie geheel. In de 4de schildklier treffen we naast sterke desquamatie ook follikels, waar deze geheel ontbreekt en het al of niet ontbreken van de desquamatie gaat niet samen met een al of niet sterken graad van hyperaemie. Hyperaemie behoeft dus niet samen te gaan met desquamatie. Toch laat zich naar mijn meening wel een zeker verband tusschen hyperaemie en desquamatie aannemen. Om in deze kwestie een beter inzicht te krijgen, moeten we ons de vraag voorleggen: hoe zag de follikel er uit, vóór de desquamatie optrad? We zullen daarvoor de verschillende groepeeringsvormen van epitheelcellen in de foetale schildklier wederom de revue moeten laten

Sluiten