Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is donkerpaars, op het oppervlak zijn uitgezette vaten. De linker kwab is wat grooter dan de rechter. De consistentie is vast. De beide zijkwabben liggen achter den oesophagus tegen elkaar aan. Schildklierweefsel omgeeft geheel de larynx, eerste tracheaalringen en het correspondeerende stuk van den oesophagus. Een vernauwing van de trachea is niet te zien. De isthmus reikt met zijn bovenrand tot aan den onderrand van de cartilago thyreoidea; de lobus pyramidalis reikt tot aan de incisura superior van de cart. thyr. De zijkwabben bereiken de punten van de cornua posteriora van het schildkraakbeen.

De klier is zeer bloedrijk, de kapsel goed ontwikkeld, dikker dan bij normale schildklieren van pasgeborenen. Het gewicht is 10 gram.

De afmetingen zijn : grootste breedte over den isthmus: 3,7 cM., hoogte 2,8 cM., dikte 1,7 cM. De hoogte van den isthmus: 1 cM., de dikte 0,4 cM. Lengte van den processus pyramidalis 0,7 cM , de breedte 0,6 cM.

Microscopisch onderzoek van de struma. (Zie plaat I).

Het bindweefsel in deze struma vertoont geheel dezelfde verdeeling als in de eerst beschrevene, alleen is het minder sterk ontwikkeld. Het aantal bloedvaten is minder groot. Toch kan men hier nog van een sterke hyperaemie spreken. De capillairdoorsneden zijn hier niet rond en paarlsnoervormig gerangschikt, maar langwerpig, zoodat één capillairdoorsnede vaak een groot stuk van de follikelomgrenzing inneemt. Op sommige plaatsen ziet men de capillairen in aan elkaar evenwijdige reeksen. Het aantal cellen in de follikels is veel minder groot en daar de grootte der follikels ongeveer dezelfde is, liggen de cellen veel wijder uiteen. De teekenen van degeneratie van de cellen zijn grooter, men ziet weer kernschimmen en een fijn wazig schuim, dat in verbinding staat met protoplasma van cellen, wier kern nog niet geheel verdwenen is en wel opgevat moet worden als overblijfsel van protoplasma van cellen, waarvan de kern geheel te gronde is gegaan. De desquamatie is sterker nog dan in de eerst beschreven struma, slechts met moeite is een enkele cel te vinden, die nog op het bindweefselomhulsel van den follikel vastzit. Men vindt weer de boven beschreven blind in den follikel eindigende bindweefselschotjes. In de grootte van de follikels is sterke verscheidenheid. De grootste zijn langwerpig rechthoekig, de kleine hebben meer afgeronden vorm.

Struma congenita 1 LI. Museumpraepaiaat Wilhelmina Gasthuis.

De struma leverde een hindernis bij den partus op. Het kind ademde kort, werd cyanotisch en stierf weldra een typischen stikkingsdood.

De struma omsluit geheel de trachea en oesophagus. De isthmus

Sluiten