Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plasie van de capillairen. In het tweede geval bestaat wel een sterke hyperaemie en een groot aantal capillairen, maar deze verschijnselen zijn toch niet sterker, dan wij in menige schildklier van een pasgeborene vinden. In beide gevallen zullen we een hyperplasie van het parenchym aan moeten nemen. De blind in den follikel eindigende tusschenschotjes, die wij aantroffen in deze twee gevallen, vinden we in eenigszins anderen vorm terug in het derde en vierde geval. We missen hier geheel en al de hyperaemie; de desquamatie treffen we, hoewel in geringer mate nog bij struma III; bij struma IV missen wij deze geheel. Bij struma III zijn de blind eindigende tusschenschotjes bezet met hoog cylinder epitheel: sterker treedt deze eigenaardigheid op den voorgrond bij struma IV; vindt men bij geval III nog in lang niet iederen follikeldoorsnede deze papilvorming, bij geval IV treden in iederen follikel meerdere papillen op, die het lumen een grillig-bochtige vorm geven. Ook zijn de epitheelcellen hier hooger. Ook in struma V treden de vaten op den achtergrond. Hier vinden wij, wat wij in de vorige gevallen geheel misten, colloied in de follikels. Er zijn alle overgangen van soliede follikels met desquamatie tot follikels met centrale holte gevuld met colloied te vinden.

Anatomie.

Wij hebben bij de bespreking van de ontwikkeling van de schildklier gezien, dat schildklierweefsel voor kan komen in een driehoekige ruimte, die als basis heeft den onderkaaksrand, terwijl de top op den arcus aortae ligt. Wij moeten dus de mogelijkheid in het oog houden, dat op verschillende plaatsen kropgezwellen aangeboren kunnen voorkomen. Merkwaardigerwijze heb ik in de litteratuur geen enkel geval van aangeboren krop kunnen vinden uitgaande van schildklierweefsel, op een

Sluiten