Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hyperpl. vasorum en de str. hyperpl. parenchym. Het eerste geval meen ik hiertoe te moeten rekenen. Hier immers vonden wij, dat de ruimte, die bloedvaten en epitheel innamen, ongeveer even groot was. Gezien de buitengewone grootte van deze klier moeten wij hier zoowel een vermeerdering van de vaten als van de epitheelcellen aannemen.

De struma met follikels gevuld met colloid geeft ons

o o

den overgang naar een anderen vorm van struma, de str. colloides s. gelatinosa van Demme. De meeste schrijvers noemen dezen vorm niet. Zij schijnt dan ook zeer zelden voor te komen. Demme zegt hierover: „Ein massige Colloidbildung findet sich ebenfalls in den Follikeln der weichen gefassreichen Drüsenkröpfe, sowohl des nicht reifen als des ausgetragenen Fötus. Wirklicher Gallertkropf kommt als str. c. nur ausnahmweise vor". Zelf zag hij het onder zijn 53 gevallen slechts drie keer en beschouwt dezen vorm als een groote zeldzaamheid, waarmede het feit, dat latere schrijvers niet, of slechts terloops dezen vorm vermelden in goede overeenstemming is.

Een eigenaardige vorm is vertegenwoordigd door het vierde door mij beschreven geval. Wij vinden hier papilvormige uitstulpsels in de follikels. Vertakt zijn deze papillen nooit; wel zijn ze soms aan hun uiteinde verbreed. Er ontstaat zoo een zeer onregelmatig' lumen van

o o

de groote follikels. Het epitheel op de papillen is meest hoog-cylindrisch en regelmatig. Eenig analogon vond ik niet in de litteratuur beschreven. Wel vermelden Fabre en Thévenot het voorkomen van een goitre adénomateux en noemen als eenige gevallen twee door Muller beschrevene, die ik niet heb kunnen bereiken. Daar ze verder geen beschrijving geven, kan ik slechts vermoeden, dat ze hiermede denzelfden vorm bedoelen, als we hiervoor ons hebben. In Basedowstrumae ontmoet men ook dergelijke beelden. Verder zijn door Gutknecht, Langhans

Sluiten