Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Schaver) en daar de laatste, zooals we gezien hebben, het overblijfsel is van het caudale deel van de in vroegembryonaal leven bestaan hebbende ductus thyreoglossus zijn zij analoog aan de zeldzaam voorkomende cysten uitgaande van het bovenste deel van den ductus thyreoglossus, den ductus lingualis, waarvan zelfs enkele gevallen van struma beschreven zijn (struma baseos iinguae). Zij kunnen echter ook uitgaan van een lobus zooals in het eerste geval van Fl. en W.

Overzien wij het boven medegedeelde, dan komen wij tot de volgende histologische indeeling van de aangeboren kropgezwellen.

Groep I. Vergrooting door hyperaemie.

Groep II. Hyperplastische kropgezwellen.

1. Struma c. hyperplasia vasorum.

2. Struma hyperplastica parenchymatosa. met a. Soliede follikels.

b. Follikels met colloid.

c. Follikels met papilvormmg.

3. Struma cystica.

4. Struma jibrosa.

Groep III. Teratoom van de schildklier.

Wat de frequentie van de verschillende vormen aangaat, hebben we reeds gezien, dat de struma fibrosa slechts door één geval vertegenwoordigd is, dat de struma cystica alleen door Demme genoemd wordt en de parenchymateuse krop met papilvorming zeker ook tot de groote zeldzaamheden behoort. Het aantal gevallen, dat tot Groep III kan gerekend worden is wat talrijker; ik vond in de literatuur 5 gevallen, terwijl waarschijnlijk een aantal van de cystenkroppen van Df.mme hier ook onder vallen.

De parenchymateuse vorm met follikels gevuld met colloid komt niet zoo heel veel voor.

De meest gewone vormen zijn naast denhyperaemischen

Sluiten