Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

Inleiding.

Een diathese hangt zoo nauw samen met hetgeen wij verstaan onder constitutie of gestel, dat het mij niet ondienstig voorkomt eenige regels te wijden aan het constitutievraagstuk.

Vooral de Klinici hebben steeds gevoeld, dat naast het uitwendig ziekmakend agens een inwendige factor moest aanwezig zijn, die individueel verschillend was, teneinde het ziektebeeld met zijn verschillende vormen bij verschillende individuen te doen ontstaan. AVelke die inwendige factor was, viel niet gemakkelijk onder woorden te brengen, maar ongetwijfeld moest hier de constitutie, het gestel, in het spel zijn. Het begrip gestel was echter zoo vaag en de gestelsverschillen waren zoo moeilijk aan te toonen, dat gedachtenwisseling er over een onmogelijkheid scheen. Waar bovendien bijna alle wetenschappelijke onderzoekingen er op gericht waren het uitwendig ziekmakend agens steeds nauwkeuriger vast te stellen, een streven waarin de bacteriologie aan de spits stond, werd ten slotte aan den inwendigen factor weinig of geen waarde gehecht, zoodat „alle menschelijke indiv'duen als gelijkwaardige voedingsbodems voor de daarin geraakte bacteriën werden beschouwd en dat later, toen meer aandacht werd geschonken aan de verschillen in reactie der verschillende individuen, de oorzaak dezer verschillen meer werd gezocht in do constitutie der bacterie dan in de constitutie van haren gastheer". (Benders).

Ongetwijfeld heeft desniettemin menig medicus het begrip gestel niet kunnen loslaten, en vooral de practicus, die jaren achtereen meerdere generaties van een geslacht kon waarnemen en mocht behandelen, zal in zijn raadgevingen en voorschriften er mede rekening gehouden hebben. Steeds lag en ligt voor den klinikus de grootste waarheid in de woorden van Martius : „die

Sluiten