Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ieder die zich met dit vraagstuk bezig houdt, bemerkt al spoedig, dat een uitgebreider en dieper op de zaak ingaande studie noodig zal zijn om het constitutievraagstuk verder te brengen en zoo mogelijk op te lossen. Volgens Martius moet zich deze studie bezig houden met den bouw en de functie der organen en de samenwerking dier beide ten gunste van het individu. Hiermede hebben zich inderdaad verscheidene onderzoekers bezig gehouden.

Langs anatomischen weg dachten vooral Benkke en later Bartel tot het doel te komen De eerste bepaalde aan een groot aantal lijken door nauwkeurige metingen grootte, volumen en inhoud der organen Hij vond voor verschillende leeftijden gemiddelde waarden. Afwijkingen van deze gemiddelden noemt hij constitutieanomaliën. De combinaties dezer afwijkingen waren echter bijna even talrijk als het aantal onderzochte lijken en al lukt het hem ten slotte uit zijn materiaal eenige typen vast te stellen, waarbij deze of gene ziekte vaker voorkomt, voor de kliniek, die zulke nauwkeurige metingen niet kan doen, zijn zijn onderzoekingen van weinig waarde.

Niet gelukkiger is Bartel. Zijn interessante bevindingen, b v. over antagonisme tusschen tuberculose en arteriosclerose, geconstateerd aan een uitgebreid sectiemateriaal zijn niet voldoende om ons een inzicht te geven in het gestelsvraagstuk en haar beteekenis reikt nauwelijks verder dan de sectietafel.

Functioneele onderzoekingen deed Rosenbach. Hij onderscheidde een relatieve en een absolute insufficientie van een orgaan, en bracht zoodoende het constitutioneele moment bij het ontstaan van orgaanafwijkingen naar voren. Maar waarin het wezen der relatieve insufficientie bestaat, m. a. w. waarom bij het eene individu een orgaan relatief minder werkt dan bij een ander, maakt hij niet uit. Toch wijzen zijn functioneele onderzoekingen, zooals bij diabetes, m.i. in de richting van de gedeeltelijke oplossing van het constitutieprobleem voor de kliniek.

Ook Kraus deed functioneele onderzoekingen. Volgens hem wordt de constitutie van het individu bepaald door het uit de samenwerking en onderlinge regeling der functies van het organisme resulteerend arbeidsvermogen. Hij tracht daarom een maat te vinden voor de constitutioneele kracht en neemt hiervoor

Sluiten