Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderzoekingen scrofuleus eczeem betreffen, waarbij dus de tuberculeuze infectie het beeld der E. D. compliceert. Anderen als b.v. Naegeli sluiten zich bij Asschenheim's zienswijze aan, terwijl ook Karl Meijer, die vermeldt, dat eosinophilie slechts voorkomt bij de zware gevallen van chronisch eczeem, blijkbaar deze meening is toegedaan.

Daartegenover staan de meeningen van Rosenstern, Kroll Liffschütz en Putzig. Deze drie onderzoekers besluiten, vooral op grond van het voortduren der bloedeosinophilie na genezing van het eczeem, maar ook omdat zij bij vele andere manifestaties der E D. vermeerdering der eos. cellen vonden, dat deze vermeerdering als een symptoom der E. D. moet opgevat worden, den anderen verschijnselen als eczeem, asthma enz gecoördineerd. Ook IIeubner, Finkelstein, Samelson, Langstein, Ravitch en öteinberg en StXubli deelen deze opvatting. De laatste wil daarom spreken van eosinophile diathese Van belang is hier nog, dat Schridde op grond van pathologisch anatomische onderzoekingen het aannemelijk acht, dat lymphatici eosinophilie hebben.

Tegenover de opmerking van Blok, dat als de eosinophilie een verschijnsel der E. D. was, er veel meer gevallen van familiaire eosinophilie zouden zijn, acht ik de vraag gewettigd, of er wel voldoende onderzoekingen in die richting gedaan zijn, waarop het antwoord ontkennend moet luiden.

Een uitgebreid onderzoek zal noodig zijn om het vraagstuk omtrent de verhouding tusschen E. D. en eosinophilie tot een oplossing te brengen.

Benfey geeft hiervoor de volgende methode aan Er moeten bij vele schijnbaar gezonde jonge zuigelingen bloedonderzoekingen worden gedaan. Later zullen natuurlijk verscheidene dezer zuigelingen zich als exsudatief ontmaskeren. Er zou dan kunnen blijken of onder deze laatste eosinophilie vaker overkwam dan bij de overige. Een gedeelte van Putzig's en van Rosenstern's onderzoek, in hoofdstuk VII vermeld, voldeed aan deze eischen. Ook Benfey zelf onderzocht één geval volgens deze methode.

Ik kan niet ontkennen dat deze werkwijze boven de in het volgende hoofdstuk besproken, door mij gevolgde, het voordeel heeft, dat het onderzoek geschiedt op een tijdstip, waarop het kind nog een zoo niet on— dan toch weinig beschreven blad is

Sluiten