Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

Eigen onderzoekingen. (Eerste reeks).

Het waren de beide volgende vragen, die ik heb getracht te beantwoorden :

1. Komt bij E. D. eosinophilie vaker voor dan normaliter ?

2. Zoo ja, is de eosinophilie afhankelijk van de verschijnselen of niet.

Bij de keuze van mijn materiaal heb ik strenger eisclien gesteld dan vroegere onderzoekers, die meestal besloten tot het aanwezig zijn der diathese op grond van één enkel verschijnsel, als eczeem, of lingua geographica, of asthma, enz. Om den exsudatieven aanleg te mogen aannemen, moeten de te onderzoeken personen echter eenige der manifestaties der E. D. ver toonen of vertoond hebben. Eerst daaruit blijkt dat er bij hen een verhoogde neiging tot die aandoeningen bestaat. Nog vaster staat de diagnose, wanneer bovendien nog een familiair moment aanwezig is. Bij de keuze mijner patienten stelde ik mij gewoonlijk niet met minder dan drie, nooit met minder dan twee verschijnselen tevreden. Dat het familiaire moment hier en daar ontbrak of althans niet aangegeven kon worden, vond zijn oorzaak dikwijls in de onmogelijkheid de betrokken personen te ondervragen

Nog aan andere voorwaarden moest voldaan worden. Bij iederen patiënt moest uitgemaakt worden, of er behalve de E. D. nog andere factoren aanwezig waren, waarop eosinophilie kon berusten, of die een bestaande eosinophilie konden doen verdwijnen. Het een zoowel als het ander moest kunnen worden uitgesloten.

Bloedeosinophilie komt volgens Naegeli voor bij :

myeloide leukaemie,

scarlatina,

lielminthiasis,

Sluiten