Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

Stofwisselings- en andere onderzoekingen.

Ten einde dieper door te dringen in het wezen der E. D., m. a. w. om uit te maken waarin deze anomalie bestaat, heeft men behalve de besproken morphologische ook functioneele proef- en waarnemingen gedaan. Allereerst behooren hiertoe de stofwisselingsonderzoekingen.

Niemank heeft mgt het toestel van Pettenkofer en Voit proeven genomen over de respiratorische stofwisseling bij drie exsudatieve kinderen. Hij vond bij alle drie, dat een verhoogde omzetting in calorieën plaats had. Er werd meer warmte gevormd en ook de koolzuurvorming was gestegen. Voorts vertoonden twee der kinderen een duidelijke neiging om vloeistof in het lichaan vast te houden. Lederee toonde daarentegen aan een groote labiliteit in het watergehalte van het lichaam. Bij voeding met zeer veel koolhydraten of vocht was bij al zijn gezonde en exsudatieve kinderen het bloedwatergehalte verhoogd. Ging hij plotseling op gewone kost over, dan verloren normale kinderen het overtollige water in 2 a 3 weken, de exsudatieve in 48 tot 72 uur. Ook bij zuigelingen zag hij deze verhouding.

Coblinger stelde vast, dat zuigelingen met E. D. een verhoogd suikergehalte van het bloed hebben. Ook Lindberg kon bij 5 zuigelingen met huidverschijnselen der E. D. in het eruptiestadium hyperglycaemie aantoonen.

Schippers kwam bij zijn onderzoekingen tot het besluit, dat het vetgehalte van het bloed bij kinderen met bloeienden dauwwurm ongeveer de helft is van hetgeen men bij gezonde kinderen vindt.

Liefmann vond bij kinderen met infectieuze huidaandoeningen, met koortslooze bronchitiden waarbij exsudatieve verschijnselen van neus- en pharynxslijmvlies optraden, een verhoogd urinezuurgehalte van het bloed. Een obligaat symptoon der E. D. acht hij dit hooge gehalte echter niet. Kern bewees, dat de

Sluiten