Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

De beteekenis der eosinophilie bij de E. D.

Na hetgeen uit voorgaande onderzoekingen is gebleken omtrent het voorkomen en ook omtrent het gedrag der eos. cellen bij de E. D., rijst vanzelf de vraag, welke beteekenis moet worden toegekend aan het aanwezig zijn van deze bijzondere cellen in het bloed van het exsudatieve kind.

Alvorens een poging te doen deze vraag te beantwoorden, acht ik het niet ondienstig eenige regels te wijden aan de acidophile cellen in het algemeen, ten einde enkele punten aan te stippen, die voor de volgende bespreking van belang zijn. Voor een uitvoerige bespreking verwijs ik naar de leerboeken der haematologie.

Over de herkomst der eos. cellen heerschen voornamelijk twee meeningen. Eiirlich erkent als plaats van vorming slechts het beenmerg, althans bij de zoogdieren. Daarentegen zijn andere, vooral Fransche auteurs van oordeel, dat zij als locale vormsels (in huid, bronchiaalslijmvlies enz.) die later in het bloed terecht komen, moeten worden opgevat.

Volgens Stüubli zijn het van huis uit gedifferentieerde cellen met een eigen biologische functie. Tegenover deze opvatting staat die van Weidenreich, van Müller en Rieder, van Thayer en van Brown, die ze ontstaan denken uit andere witte bloedlichaampjes.

Over de wijze van ontstaan der grove granula bestaat ook geen eenheid van opvatting. Volgens Eiirlich zijn ze het product van een eigenaardige secretorische werking van de cel. Weidenreich daarentegen ziet ze aan voor phagocytaire insluitsels der ongegranuleerde cellen uit het lymphoide weefsel, die daardoor tot gegranuleerde worden. Deze insluitsels zouden bestaan uit resten van roode bloedlichaampjes. Ook zou het kunnen voorkomen, dat geheele roode bloedlichaampjes worden opgenomen, waaruit dan in de cel de granula zouden ontstaan. Petry echter toonde

Sluiten