Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een andere soort en wel meest van konijnen op cavia's, honden of kippen. Hij bracht de metatarsus, radius, tibia, humerus of een phalanx, hetzij in de door wegname van het overeenkomstig beenstuk bij het proefdier ontstane ruimte, of onder de huid. Na twee tot zeven maanden werden de dieren gedood.

Bij de eerste reeks trad volgens Ollier in den regel een genezing per primam in en een verder leven van het transplantaat, dat met de nieuwe omgeving vergroeid was. Mislukkingen kwamen echter wel voor. Talrijker waren deze echter in de tweede reeks, bij welke het in leven blijven van het transplantaat veel zeldzamer gevonden werd. In de derde reeks werd het transplantaat altijd necrotisch en werd het geresorbeerd. Hetzelfde resultaat nam hij zonder uitzondering waar als hij been had overgeplant, dat van zijn periost was beroofd geworden.

Beschouwde hij nu de gelukte transplantaten, dan bleek, dat het verplaatste been niet meer in de lengte groeide en dat het kraakbeen van de epiphisairlijn gedegenereerd was en gemakkelijk losliet. Wel was er een duidelijke diktegroei waar te nemen. Er was een laag wit, compact been gevormd, die afstak tegen de min of meer lichtroode tint van het oude been. Het merg was vaatrijk, maar bleeker dan in den normalen toestand.

Deze diktegroei werd. opgevat als bewijs, dat het been in leven was gebleven. Een tweede bewijs meende Ollier te vinden in de vascularisatie van het transplantaat.

Proeven met gedeelten van beenstukken, zooals het reïmplanteeren van getrepaneerde stukjes been en transplantatie van stukken der lange pijpbeenderen bij hetzelfde dier, gaven hetzelfde resultaat: het getransplanteerde stuk blijft in leven.

Wolff (1868), die vele proeven van Ollier navolgde, kwam tegen diens slotsom in verzet. Hij meende dat de beide criteria voor het levend zijn van het overgeplante been, die Ollier had toegepast, geen steek hielden. Dat het been leeft, omdat het bij macroscopisch en ook microscopisch onderzoek als normaal uitziet wat kleur, consistentie, weerstand tegen resorptie, enz. betreft, wordt door onderzoekingen van Virchow

Sluiten