Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kop. Van den kop bevatten een belangrijk aantal beenbalkjes grootere of kleinere stukken dood been, waartegen nieuw been is afgezet. Op één plaats ziet men een typische callusvorming, doch verder is de beenbalkjesstructuur goed bewaard gebleven. Er zijn plekken in het praeparaat die de voor die plek normale beenstructuur vertoonen met donkere, kleine kernen en wel uit oud overlevend been schijnen samengesteld. Als zoodanig is b.v. te herkennen een stuk van den kop, vlak onder de kraakbeenkap. Op de plaats der beenpen vindt men een celmassa rijk aan leucocyten, overeenkomende met die in het collum.

Het kraakbeen is over den grootsten afstand verdwenen, daar kop en pan innig samenhangen. Waar het nog aanwezig is, vertoont het soms ontaarding.

In aansluiting met de macroscopische ontsteking bestaat hier dus nog een sterke microscopische ontsteking, die geleid heeft tot resorptie zonder vervanging van de beenpen evenals in geval VII.

III.

Hoe is nu de voorstelling, die wij ons aan de hand van deze praeparaten kunnen maken van wat er geschiedt?

Wij zien de ingebrachte fibula vrij snel de teekenen van necrose: niet kleurbaar zijn der beenkernen, vertoonen. Reeds na een halve maand is het grootste deel van het been dood. Omtrent enkele zonen, die meestal dicht bij den buitenrand liggen, bestaat nog twijfel. Dat ook celgroepen om de Haversche kanalen een betere kans hebben te blijven leven, is mij niet gebleken. Waar ook het weefsel in de beenkanalen afsterft, is dat ook niet waarschijnlijk. De twijfel omtrent het lot van de misschien overlevende zonen wordt na een maand wel tot de zekerheid, dat ook dit been dood gaat. Waar elke proefneming ten slotte slechts bewijzend is voor het eene dier waarmede die proefneming is genomen, is natuurlijk de voorstelling, dat een stukje been in een bepaald

Sluiten