Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de Grieken en Romeinen, in 't bizonder bij galenus. Zij schrijven aan de circulatie der „atra bilis", de zwarte gal, vele ziekten, waaronder ook den kanker, toe, waarbij wij echter moeten bedenken, dat door hen het begrip „carcinoom" ruimer werd opgevat, dan nu gewoonte is.

Langen tijd behield de theorie der „atra bilis" haar grooten invloed. paracelsus was een der eersten, die in het begin der 16de eeuw andere, overigens niet minder phantastische stellingen verkondigde. Volgens hem moet aan een overvloed van een bepaald ijzerzout in het bloed, het „sal colcotharinum acutum", dat zich een uitweg zoekt, het ontstaan van het carcinoom worden toegeschreven. Dergelijke beschouwingen, waarbij aan den invloed van het voedsel een groote beteekenis wordt toegekend, vindt men bij vele schrijvers tot aan de 19de eeuw toe.

Eerst na 1800 brengt het toenemend gebruik van het microscoop eenige grootere zekerheid omtrent het wezen der gezwellen en worden, dank zij de grondvesting der pathologische anatomie, algemeene pathologie en physiologie door MORGAGNI, BlCHAT, LaËNNEC e. a. de inzichten belangrijk duidelijker. Bestonden bij hen en hun leerlingen reeds betrekkelijk heldere voorstellingen over het gelokaliseerd ontstaan van een tumor, door de later veldwinnende humoraalpathologische opvattingen werden zij weer vervaagd en gedwongen plaats te maken voor allerlei speculatieve meeningen. Het meest treffen wij in de omstreeks de jaren 1820—'40 verschenen geschriften de theorie aan, dat gezwellen ontstaan door stolling van „lymphe", hetzij, dat deze uit de bloedbaan wordt uitgezweet, hetzij dat zij door de weefsels wordt gevormd. ANDRAL b.v. behandelt de tumoren in zijn „Précis d'anatomie pathologique" (1829) in een hoofdstuk, dat de „modifications de qualité des secrétions" betreft. CARSWELL verdedigt in zijn „Pathological Anatomy" (1838) de meening, dat het carcinoom reeds gepraeformeerd in het bloed aan-

Sluiten