Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezig zou zijn op grond van het feit, dat tumormassa nu en dan in de groote venen en in de kleinste vaatjes wordt aangetroffen. Het op meerdere plaatsen gelijktijdig voorkomen van gezwelknobbels zou op geen andere wijze verklaard kunnen worden.

Ook VlRCHOW verkondigt in het le deel van zijn Archief (1848) nog soortgelijke opinies.

Tevergeefs werd echter in het algemeen in het bloed het element gezocht, dat, buiten de vaten getreden, door verdere organisatie een tumor deed ontstaan. Wel valt verschillende onderzoekers in deze jaren (o.a. ANDRAL) reeds de lichte kleur van het bloed op.

Het na 1850 veldwinnend nauwkeuriger histologisch onderzoek maakte aan de groote rol, tot dusver door het bloed in de beschouwingen over de pathogenese van het carcinoom gespeeld, een einde. Voortbouwend op VlRCHOW'S cellulairpathologie toonden THIERSCH, BlLLROTH, WALDEYER en vele anderen aan, dat het carcinoom een epitheliale tumor is. Ofschoon eerst van talrijke zijden bestreden, vond deze theorie langzamerhand algemeenen ingang.

De studie van het bloed bij carcinoompatiënten begint zich nu in andere richting te bewegen. Naast talrijke onderzoekingen over de chemische samenstelling, naast enkele rnededeelingen over pogingen den „kankerparasiet" op te sporen, waarmede wij ons hier niet zullen bezighouden, nemen nu verhandelingen over den invloed van den tumor op het aantal roode en witte bloedlichaampjes en de diagnostische beteekenis van deze verschijnselen de grootste plaats bij de verschillende schrijvers in.

In 1851 vermeldt LEBERT b. v. in zijn „Traité des Maladies cancéreuses", dat de totale hoeveelheid bloed bij het carcinoom verminderd is, dat het aantal erythrocyten per volumeeenheid is afgenomen (chemisch bepaald dcor de verarming aan vaste stoffen en de toename van het water)

Sluiten