Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wil men deze opgaven in het kort samenvatten, dan kan men zeggen: er is één groep van gezwellen, n.l. die in de huid en in verschillende slijmvliezen gezeteld zijn, welke het veelvuldigst door anaemie worden vergezeld; hier ook kan deze de sterkste graden bereiken. Bij een tweede groep, de gezwellen der overige organen, is van regel geen sprake.

Het verschil tusschen beide groepen is daarin gelegen, dat de tumoren der eerste steeds ulcereeren (zie Hoofdstuk III), die der tweede als gesloten knobbels groeien, die niet met de buitenwereld (hiermede ook het lumen van het darmkanaal, van de blaas etc. bedoeld) in verbinding behoeven te staan.

Dit is een belangrijk onderscheid, dat ons, zooals verder blijken zal, op het spoor brengt van de gewichtigste oorzaak der anaemie bij het carcinoom. In de tabellen worden echter ook eenige gevallen vermeld, speciaal van carcinoma ovarii. hepatis, gl. thyreoideae, waar van ulceratie geen sprake is, terwijl toch een sterke graad van bloedarmoede is opgetreden. Wij zullen zien, dat zij juist de grootste moeilijkheden geven bij het zoeken naar een verklaring voor de wijze van ontstaan dezer anaemie.

Over de verdere resultaten van het bloedonderzoek bij het carcinoom wil ik kort zijn. Zooals uit de boven weergegeven getallen blijkt is het haemoglobinegehalte relatief meer gedaald dan het aantal roode bloedlichaampjes; wij hebben dus het type van een chloro-anaemie voor ons. Uitvoerig wordt in de haematologische literatuur de vraag besproken, in hoever bij het carcinoom het bloedbeeld der pernicieuze anaemie kan voorkomen: hooge kleurindex, leuko penie, normo- en megaloblasten in het praeparaat. Door sommigen wordt deze mogelijkheid toegegeven, terwijl andere schrijvers er meer toe neigen het voorkomen van de twee ziekten naast elkaar aan te nemen. In een uitvoerige dissertatie

Sluiten