Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leukocytcn bij ulcereerende gezwellen moet hierbij in het oog worden gehouden) zal niet plaats hebben, zonder dat het lichaam zich daartegen door middel van antistoffen tracht te verzetten. Vandaar dat men in de bepaling van het anti-trypsine gehalte van het bloed een methode meende te hebben gevonden, die van dienst zou kunnen zijn voor de herkenning van twijfelachtige carcinoomgevallen en een steun zou kunnen verleenen aan de opvatting, dat toxische processen bij kwaadaardige gezwellen in het spel zijn (BRIEGER en TREBING '), V. BERGMANN en BAMBERG2), K. MEYER e.a.3). Nu is het antitryptisch vermogen van het bloed inderdaad dikwijls bij deze patiënten verhoogd, maar aangezien hetzelfde ook in het eindstadium van zoovele andere ziekten is gezien (ernstige anaemiën, Morb. Basedow, icterus gravis, uraemie, niet kwaadaardige maagziekten e.a.) komen wij daarmede noch voor de diagnostiek, noch voor de theoretische verklaring veel verder.

Ten slotte heeft men natuurlijk ook in de urine naar abnorme splitsingsprodukten van het eiwit gezocht. De meeste vermaardheid heeft daarbij de door SALKOWSKY 4) het eerst vastgestelde vermeerdering van den zoogenaamden „kolloidalen stikstof", waartoe vooral de oxyproteïnen bijdragen, verkregen. Ook volgens latere onderzoekingen (SAXL en SALOMON5) zouden deze geregeld toegenomen zijn, zelfs bij het ontbreken van cachexie. Andere schrijvers vermelden echter negatieve uitkomsten (vergel. ALBU 6).

Trachten wij nu na deze beknopte opsomming der voornaamste onderzoekingen, op dit gebied verricht, een antwoord

') Berl. klin. Wochenschrift, 1908.

2) ibid.

3) ibid.

4) Berl. klin. Wochenschrift, 1905, 1910.

5) Beitrage z. Karzinomforschung, H. 2, gecit. v. Blumenthal, l.c.

6) in Kraus u. Brugsch. Spez. Pathol. u. Therapie, 1915.

Sluiten