Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd bevestigd. Het blijft echter de vraag, of deze stoffen tijdens het leven van uit het gezwel in de bloedbaan worden opgenomen.

Misschien, dat aan de onderzoekingen van GRAFE en RöHMER ') meer beteekenis moet worden toegekend. Nadat de maag was leeggespoeld, konden zij bij 85 pCt. van hun patiënten met carcinoma ventriculi in de na toediening van een proefontbijt uitgehevelde massa door een ingewikkelde methodiek een coctostabiele stof aantoonen, die emulsie van roode bloedlichaampjes tot oplossing bracht.

Deze stof, die bijna geheel uit oliezuur bleek te bestaan, kon ook bij slokdarm- en rectumkanker langs oesophagoskopischen en rectoskopischen weg met een platinaoogje aan het ulcereerend oppervlak worden aangetoond. Dat oliezuur een rol zou spelen bij het ontstaan der carcinoomanaemie achten de schrijvers intusschen onwaarschijnlijk, aangezien bloedserum een sterk beschuttende werking uitoefent tegen het haemolytisch vermogen van deze stof. Men herinnere zich verder de uitgebreide discussiën, voor ettelijke jaren gevoerd, naar aanleiding van de ontdekking van TalLQUIST en FAUST 2) van het oliezuur in het lichaam van den bothriocephalus latus, over de beteekenis van deze stof voor de pathogenese der pernicieuze anaemie (vergel. o. a. TüRCK 3) MEYERSTEYN 4). Ook BüRGER 5) bespreekt de resultaten van het onderzoek van GPAFE en RöHMER. Ofschoon door hem tamelijk veelvuldig isolysinen in het serum van carcinoomlijders werden aangetroffen, bleken hem de roode bloedlichaampjes van de patiënten abnormaal bestand tegen haemolytische invloeden. Hij ventileert daarbij de mogelijkheid

') D. Archiv. f. klin. Medizin, Bd. 93 en 94, 190S, Bd. 100, 1910.

2) Archiv. f exper. Pathol. u Pharmacologie, Bd. 57, 1907.

3) 1. c.

4) Ergebnisse der inneren Medizin, Bd. 12, 1913.

5) 1. c.

Sluiten