Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een auto-immuniseeringsproces, zooals door SCHMINKE en FLURY ') in het experiment bij oliezuurvergiftiging reeds was gezien.

Overzien wij nu, wat de onderzoekingen over het voorkomen van toxische processen bij de carcinoomanaemie aan het licht hebben gebracht, dan schijnt het mij toe, dat haar resultaten nog zóó weinig overeenstemmen en zóó weinig zeker zijn, dat wij van eenig bewijs nog niet kunnen spreken. Noch zijn er autolysinen in het bloed van kankerlijders aangetroffen, noch is er een schadelijke invloed van tumorextracten op de roode bloedlichaampjes in vivo vastgesteld.

Het zou echter onjuist en onvoorzichtig zijn, hiermede de aanwezigheid van een toxisch element bij het ontstaan der carcinoomanaemie zonder meer uit te sluiten. Telkens weer dringt deze veronderstelling zich ons door de klinische waarnemingen op, waardoor dan ook de uitlatingen in de haematologische leer- en handboeken moeten worden verklaard. Wij dienen ons dus alleen goed voor oogen te houden, dat de uitlatingen dier schrijvers meer berusten op waarschijnlijkheidsredeneeringen dan dat zij in klinische of experimenteele bewijzen deugdelijken steun vinden. Uit de positieve wijze, waarop gemeenlijk de invloed der carcinoomtoxinen op het bloed besproken wordt, kan men dit niet steeds afleiden.

Men kan nu nog twee indirecte wegen inslaan om te trachten de toxinetheorie nader te bewijzen.

In den aanvang van dit hoofdstuk werden een verhoogde bloedafbraak en een onvoldoende werkzaamheid van het beenmerg als twee der voornaamste mogelijkheden genoemd, waarop een anaemie in het algemeen kan ontstaan.

Mocht het blijken, dat een vermeerderde ondergang van roode bloedlichaampjes en een insufficientie van het beenmerg

») Archiv. f exper. Path. u Pharmacologie, Bd. 64, 1911.

Sluiten