Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Anaemie tengevolge van bloedverlies.

Wij hebben gezien, dat in het bijzonder de tumoren, gezeteld in organen, die op de eene of andere wijze met de buitenwereld in verbinding staan, aanleiding kunnen zijn tot het ontstaan van een meer of minder ernstigen graad van anaemie. Carcinomen van de huid, van het geheele digestieapparaat, van de ademhalingsorganen, van het uropoëtisch systeem, van den uterus en van de vagina behooreu tot deze categorie. Zij allen hebben dit gemeen, dat hun oppervlakkig epitheel in den regel reeds vroeg verloren gaat en ulceratie optreedt. Voor de tumoren der huid is dit gemakkelijk met het bloote oog waarneembaar. Het bloedverlies tengevolge van deze zweervorming behoeft echter geen afmetingen van eenige beteekenis aan te nemen. Macroscopisch zien wij gewoonlijk niets van eenige haemorrhagie (uitzonderingen daargelaten) en in veel gevallen ontbreekt dan ook, zooals uit de tabellen blijkt, de anaemie.

Anders is dit bij de tumoren van het digestie-apparaat. Speciaal bij den maagkanker worden soms de uiterste graden van anaemie bereikt. Dergelijke patienten behoeven daarom in het verloop van hun ziekte nog geen duidelijke haematemesis of melaena vertoond te hebben; in den tijd vóór onze kennis der „occulte" bloedingen lag het voor de hand, dat deze waarnemingen van anaemie zonder zichtbaar bloedverlies den onderzoekers een toxischen oorsprong van de bloedarmoede als het ware opdrongen. In de oudere literatuur

Sluiten