Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meent te kunnen verklaren. Blijft evenwel de vraag, of in die gevallen, waar van haematemesis of melaena geen sprake is, op deze wijze zóóveel bloed verloren wordt, dat de zeer ernstige graden der soms aangetroffen anaemie er het gevolg van kunnen zijn. Daarbij komen wij voor de moeilijkheid te staan, dat het niet goed mogelijk is, de grootte van dit verlies nauwkeurig te schatten.

Door SCHUMM ') is indertijd een methode aangegeven om door vergelijking van het cyaanhaematinespectrum van een faecesextract met dat van een bekende hoeveelheid bloed de verloren bloedkleurstof quantitatief te bepalen. Toepassing heeft zij, voor zoover ik weet, tot nu toe niet gevonden. Het zou ook mogelijk zijn door nauwkeurig onderzoek der ijzeruitscheiding verder te komen, maar hieraan zijn zoovele bezwaren verbonden, dat ik daarvan heb afgezien. (Zie Hoofdstuk IV).

Een antwoord op de gestelde vraag, of door de occulte bloedingen de carninoomanaemie geheel en al verklaard kan worden, is dus nog niet te geven. De meeste schrijvers meenen ook hier nog een of ander toxische factor te moeten aannemen. Dat echter kleine, zich steeds herhalende bloedinkjes tot uitputting van het beenmerg kunnen leiden, mag men misschien uit experimenten van BLUMENTHAL en MORAWITZ2) besluiten. In de literatuur wordt daarnaar dan ook steeds verwezen. Zij konden in enkele (2 van de 5) proeven bij het konijn en den hond aantoonen, dat frequente, traumatische bloedinkjes een doodelijke anaemie met aplasie van het beenmerg kunnen veroorzaken. Door EBERSTADT3) en RlTZ4) worden soortgelijke resultaten medegedeeld.

') In Neuberg, Der Harn u.s.w., 1911.

2) D. Archiv f. klin. Medizin, Bd. 92. 1907.

3) Archiv f. exper. Pathol. u. Pharmacologie, Bd. 71, 1913.

4) Folia haematologica, Bd. 8, 1909.

Sluiten