Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der 3 andere groepen geagglutineerd; eigen serum agglutineert niet erythrocyten der andere groepen) bloed van groep IV (eigen roode bloedlichaampjes worden niet geagglutineerd door sera van andere groepen; serum agglutineert daarentegen wel erythrocyten der 3 andere groepen). Door toevoeging van serum van den gever aan een druppel bloed van den ontvanger kon worden nagegaan, na hoeveel tijd nog niet door dit serum te agglutineeren erythrocyten circuleerden. Dit bleek soms nog na meer dan 30 dagen het geval te zijn, een resultaat dat dus niet met dat der andere schrijvers overeenkomt. Ook uit de in 24 uur gevormde hoeveelheid galkleurstof kan men, door hieruit de quantiteit haemoglobine te berekenen, welke daarvoor moet zijn omgezet, den tijd, die de roode bloedlichaampjes circuleeren, schatten (BRUGSCHen RETZLAFF1). MORAWITZ2) merkt echter terecht op, dat de mogelijkheid niet van de hand te wijzen is, dat ook het spierhaemoglobine als bron der bilirubinvorming in aanmerking komt; bovendien wordt misschien een gedeelte der galkleurstof uit den darm geresorbeerd en daarna opnieuw uitgescheiden. Dreigen bij deze soort onderzoekingen dus vele moeilijkheden, door de meeste schrijvers wordt niettemin aan den levensduur van 3-4 weken bij de roode bloedlichaampjes van den mensch vastgehouden. De juistheid van deze opvatting is echter twijfelachtig.

De milt wordt algemeen vooral als het orgaan beschouwd, dat de tot ondergang bestemde erythrocyten opneemt en bij dit proces een actieve rol speelt. Dat het zeker niet het eenige orgaan met dergelijke functie is, blijkt uit de omstandigheid, dat na splenectomie vrijwel nooit een polyglobulie wordt aangetroffen, eerder een zekere mate van anaemie (vergel. PEARCE, KRUMBHAAR, FRAZIER3) en dat de roode

') Zeitschr. f. exper. Pathologie und Therapie, Bd. 11, 1912.

2) Ergebnisse der inneren Medizin, Bd. 11, 1913.

3) The Spleen and Anemia, 1918.

Sluiten