Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloedlichaampjes op andere plaatsen van het lichaam worden afgebroken. Daarbij moet allereerst aan de zoogen. bloedlymphklieren en het beenmerg gedacht worden, maar volgens ASCHOFF en KlYONO1) e.a. ook aan het geheele reticuloendotheliale apparaat, d.w.z. de endotheliën van lymphspleten en bloedcapillairen (in 't bizonder ook de KlIPFERsche stercellen ; zie hiervoor ook MC. NEF,2) LEPEHNE3).

De wijze, waarop in deze verschillende organen de roode bloedlichaampjes uit de vaten verdwijnen, is nog steeds niet met zekerheid bekend. BANTI4) en met hem velen meenen voor de milt te moeten aannemen, dat hier gedeeltelijk een extracellulaire haemolyse der erythrocyten plaats vindt, gedeeltelijk een phagocytose dezer cellen door de sinusendotheliën, die haar dan verder afbreken. Dit laatste proces is microscopisch goed waar te nemen, speciaal als het in meer dan normale mate plaats grijpt, zooals bij verschillende infectieziekten (vergel. F. BEZAN^ON5), DOMINICI6) of bij de pernicieuze anaemie (LlNTWAREW7), EPPINGER8). Over het voorkomen van haemolysinen in de milt, die daaruit door uittrekken zijn te verkrijgen, bestaat groote oneenigheid. Aan den eenen kant staan aanhangers dezer opvatting (b.v. GlLBERT en zijn leerling BéNARD9). ter anderer zijde even heftige bestrijders (zie bij HlRSCHFELD10).

Ook over het verdere lot van de bloedkleurstof, het meest karakteristieke bestanddeel der cellen, is men nog slechts

') Die vitale Karminspeicherung, 1914.

2) Medizinische Klinik, 1913.

|3) Zieglers Beitrage z. allgem. Path. u. path. Anatomie, Bd. 64, 1917,

4) Semaine médicale, 1913; Internation. Med. Congres, Londen, 1913.

5) Thèse de Paris, 1894-'95

6) Archiv. de médecine expérimentale, T. 12, 1900.

7) Virchows archiv., Bd. 206, 1911.

8) Berlin. klinische Wochenschrift, 1913.

9) Thèse de Paris, 1913.

10) Spez. Pathol. u. Therapie, v. Kraus en Brugsch, Bd. VIII, 1915.

Sluiten