Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meest karakteristieke streep bij A. 610—630 max. 620. Aangezien ter zelfder hoogte de strepen van het sulf haemoglobine en een weinig meer links die van het methaemoglobine liggen en bovendien die van het gereduceerd haematine, het haemochromogeen, een grootere intensiteit bezitten en dus nog in grootere verdunning zichtbaar zullen zijn, doet men goed eenige druppels zwavelammonium of hydrazinehydraat toe te voegen en daarna snel te kijken. Is haemochromogeen gevormd, dan ziet men 2 strepen, één met een maximale verduistering bij ongev. A. 560, de tweede meer naar rechts bij ongev. 535; de laatste is minder sterk dan de eerste.

In de laatste jaren zijn uit de Hamburgsche ziekenhuizen verschillende publicaties verschenen, waarin op het voorkomen van het haematine in het serum bij zeer verschillende toestanden werd gewezen en de eigenaardige gele kleur van vele van deze patiënten aan deze stof werd toegeschreven („haematinikterus").

Zoo troffen SCHUMM ') en na hem FEIGL2) FEIGL en DEUSSING3), het haematine, gedeeltelijk naast oxyhaemoglobine, methaemoglobine of bilirubine (dit laatste in abnormaal groote hoeveelheid) aan bij allerlei vergiftigingen (chloraat, chromaat, stikgas, phenolen, nitrobenzol, trional, trigemin e.a.), vele haemolytische anaemiën (regelmatig b.v. bij de pernicieuze anaemie), verschillende infectieziekten, in 't bizonder de besmetting met den WELCH-FRaNKEL schen gasbacil, sommige gevallen van sepsis (waarbij dit verschijnsel reeds vroeger door LENHARTZ4) e.a. was beschreven), van malaria, verbrandingen van den 3den graad en eenige minder belangrijke afwijkingen. Bij secundaire anaemiën, zooals bij

J) Zeitschr.f. physiol. Chemie, Bd. 87, 1913 en 97,1916. J) Biochemische Zeitschrift, Bd. 85, 1918.

3) Ibid.

4) Nothnagel, Spez. Pathologie und Therapie, Bd. 111, 1904.

Sluiten