Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevallen het laatste duidelijk hooger is dan het eerste, hetgeen zeker als steun aangevoerd kan worden voor de stelling, dat bij deze ziekten de vermeerderde bloeddestructie vooral in de milt plaats vindt,

Hoe is het met het galkleurstofgehalte van het serum bij het carcinoom?

Hijmans van den bergh vermeldt in zijn monographie en ook reeds in vroegere mededeelingen '), dat bij secundaire anaemiën, waaronder hij ook die van kankerlijdèrs noemt, lage bilirubinewaarden worden gevonden. Wegens het groote belang van deze vraag, vooral met het oog op de soms zoo moeilijke differentieeldiagnose tusschen pernicieuze anaemie en een verborgen carcinoom (speciaal van de maag), heb ik bij bijna al mijn patiënten het galkleurstofgehalte van het serum bepaald. Door uitwendige omstandigheden was het mij niet mogelijk het serum uit de miltader te onderzoeken en heb ik mij tot het periphere, door venapunctie verkregen bloed moeten beperken.

De bij deze bepalingen gevolgde techniek is uitvoerig in de monographie van hljmans van den bergh beschreven. In het kort komt zij hierop neer: 1 deel serum wordt met 2 deelen alkohol onteiwit; bij 1 cc. der na centrifugeeren verkregen vloeistof wordt V4 cc. van het diazoreagens van ehrlich gevoegd. Daarbij ontstaat de roode kleur van het azobilirubine, welke in den colorimeter van autenrieth vergeleken wordt met den standaard. Deze had eerst de volgende samenstelling: 3 cc. Vsooo N- ferri-oplossing en 3 cc. 20% rhodaankali, uitgeschud met 12 cc. aether, welke vloeistof geijkt wordt op een bilirubineoplossing van bekende sterkte. Later werd inplaats van den ijzerstandaard een oplossing van cobaltnitraat gebruikt, welker roode kleur zich zeer goed met die van het azobilirubine laat vergelijken en die het

') Berlin. klin. Wochenschrift, 1914 en '15.

Sluiten