Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat leeren ons deze cijfers?

Er is blijkbaar een groep van carcinomen, waarbij het bilirubinegehalte ongeveer normaal is. Daarnaast komen enkele patiënten in mijn tabel met hooge getallen voor; deze kunnen echter alle verklaard worden door de aanwezigheid van tumormetastasen in de lever, die afvoerende galwegen drukken en zoo tot stuwingsicterus leiden.

Vele gevallen echter vertoonen een laag of zeer laag galkleurstofgehalte van hun serum.

Wij mogen uit deze waarnemingen vooreerst besluiten, dat bij het carcinoom geen sprake is van een dusdanige bloedafbraak, dat het bilirubinegehalte van het serum stijgt (zooals b.v. bij de pernicieuze anaemie). Wij zijn daardoor een middel rijker geworden, dat in twijfelgevallen bij de differentieeldiagnose tusschen een latent carcinoom en de pernicieuze anaemie van dienst kan zijn. Iedereen kent voorbeelden, waar de lokale verschijnselen van den tumor geheel op den achtergrond treden en alleen de anaemie met haar gevolgen de aandacht trekt (cancer a forme anémique, HAYEM'). Klinisch kan dan de onderscheiding van deze beide ziekten groote moeilijkheden bieden en ook het morphologische bloedonderzoek, hoe waardevol ook, levert niet altijd ondubbelzinnige resultaten.

De vraag blijft echter bestaan, waaraan de zoo lage waarden van het galkleurstofgehalte van het bloed in zoovele gevallen zijn toe te schrijven. Het is niet mogelijk, daarop nu reeds een antwoord te geven. Dit ligt gedeeltelijk daaraan, dat de bilirubinebepaling volgens de methode van HiJMANS VAN DEN BERGH nog niet zóó in alle klinieken is doorgedrongen, dat reeds voldoende gegevens bekend zijn over het galkleurstofgehalte van het serum bij verschillende ziekten, spec. ook bij andere aandoeningen dan de haemolytische

') Archives générales de Médecine, 1904.

Sluiten