Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

siderine daarbij in de urine in den vorm van zeer fijne korrels worden aangetoond.

Uit hoofde van het tijdroovende der ijzeranalyses heb ik mij echter tot een onderzoek van lever en milt bepaald.

Wat mogen wij nu in een gegeven geval uit een verhoogd ijzergehalte van deze beide organen afleiden ? Bij de zoozeer uiteenloopende veronderstellingen der verschillende schrijvers, is het niet gemakkelijk op deze vraag een algemeen geldend antwoord te geven.

Toch schijnt het mij toe, dat bij onze tegenwoordige kennis de conclusies, waartoe ROQUE, CHALIER en NOVÉ-JlISSÉRAND ') na een uitgebreid haematologisch, chemisch en histologisch onderzoek van lijders aan siderosis visceralis komen, de waarschijnlijkste geacht moeten worden. Zij meenen op grond van het feit, dat bijna steeds symptomen gevonden worden van vermeerderde bloedaf braak (haemolysinen in het serum, verlaagde resistentie der erythrocyten, haemoglobinaemie van de miltader) en dat het ijzer het eerst en het sterkst in de milt (het orgaan, dat men toch algemeen een rol bij de bloeddestructie toeschrijft) wordt aangetroffen, dat een verhoogde haemolyse steeds aan de siderosis ten grondslag ligt: „hémolyse sidérogène", Welke actieve rol de lever bij deze ijzeropstapeling speelt, is moeilijk te schatten en zeker niet bij alle ziekten dezelfde. Bij sommige zal deze waarschijnlijk van groote beteekenis zijn („cirrhoses pigmentaires"), bij andere niet.

Het spreekt vanzelf, dat verhoogde bloedafbraak zich ook zal kunnen openbaren in een toegenomen ijzeruitscheiding met de faeces. Urine onderzoek schijnt daarbij minder waardevol te zijn, aangezien meerdere onderzoekers, ook bij duidelijke vermeerdering der bloeddestructie, de langs de nieren verwijderde hoeveelheid Fe ongeveer normaal vonden d.i. ^

') Journ. de Physiologie et de Pathologie générale, T. 15, 1913.

Sluiten