Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

normoblasten en dikwijls ook myelocyten worden gezien, wier aanwezigheid gewoonlijk aan prikkeling door den tumor wordt toegeschreven.

Ik herinner hier bovendien nog eens aan de klinische en experimenteele voorbeelden van benzol vergiftiging (zie boven).

Daarnaast ziet men zoo nu en dan patiënten met een steeds voortschrijdende anaemie, die tot den dood leidt, terwijl tijdens het leven geen teekenen van regeneratie in het bloedpraeparaat worden gezien. Bij de sectie treft men dan gedeeltelijk vet-, gedeeltelijk gelatineus beenmerg aan, waarin nauwelijks erythroblasten zijn te vinden. Men duidt dergelijke gevallen gewoonlijk met den naam van „aplastische anaemie" aan. Dergelijke bij het lijk waargenomen toestanden kunnen het eindresultaat zijn van zeer verschillende aandoeningen (anaemia perniciosa, herhaalde bloedingen, duistere gevallen van zoogen. „anaemia gravis"). Door deze anaemie de omschrijving van „aplastisch" te geven, wil men uitdrukken, dat hierbij een insufficientie van het beenmerg, hoe dan ook opgewekt, aansprakelijk gesteld moet worden voor den afloop.

Wordt men in dergelijke gevallen post mortem door het macroscopisch uitzien van het merg vaak overtuigd, dat de anaemie aan een onvoldoende regeneratie toegeschreven moet worden, ook al is ons de oorzaak dezer gebrekkige nieuwvorming onbekend, meestal is dat niet duidelijk en rijst tijdens het leven telkens de vraag, of het merg voldoende functionneert. Zoo ook bij het carcinoom, waar immers door zoovelen aan een toxische beschadiging der medulla ossium wordt gedacht.

Op welke wijze nu kunnen wij het regeneratievermogen van het beenmerg beoordeelen ? Verschillende wegen kunnen daarbij gevolgd worden, die ik achtereenvolgens zal bespreken.

A. De directe bezichtiging.

Het spreekt van zelf, dat een onderzoek tijdens het leven van het merg de meest waardevolle gegevens zou kunnen

Sluiten