Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erythrocyten geteld en nagegaan, hoevele bruinzwarte korrels vertoonen. Gewoonlijk ziet men deze „substance granulofilamenteuse", zooals de naam reeds zegt, in den vorm van korrels en staafjes in de cel; soms zijn slechts enkele korreltjes te vinden, die dan meestal in de periphere deelen van het protoplasma zijn gelegen.

Het eerst door ISRAËL en PAPPENHEIM in 1895 beschreven, heeft deze korreling daarna een uitgebreide literatuur het licht doen zien, waaraan vooral Italiaansche schrijvers (FOA, CESARIS DEMEL, FERRATA e. a.) en Fransche onderzoekers (WlDAL, ABRAMI, BRULE, SABRAZèS, CHAUFFARD e. a.) hebben deelgenomen. Daarbij is gebleken, dat bij het embryo in beenmerg en bloed, bij volwassenen in het merg steeds een vrij groot aantal van dergelijke vitaal gekorrelde cellen wordt aangetroffen. Ook bij den mensch kan men in het periphere bloed in normale omstandigheden enkele van deze erythrocyten aantoonen (tot 2°/o toe; volgens NAEGELI niet meer dan 1—2%o)- Het feit, dat deze substantie ook in normoblasten met nog geheel intacte kern wordt gezien en bovendien voorkomt bij vogels pleit tegen haren nucleairen oorsprong, Aangezien men na fixatie de korreling op geene wijze meer te voorschijn kan brengen, moet zij blijkbaar als het reactieproduct van het nog levende of agonale protoplasma met de kleurstof worden beschouwd. Noch met de basophile korreiing, noch met de polychromatophilie is zij gelijk te stellen, ofschoon een nauwe samenhang bestaat (SCHILLING-TORGAU'), zooals uit navolgende Giemsakleuring van het eerst met polychroommethyleenblauw behandeld praeparaat blijkt. Bovendien wordt deze substantie in bepaalde omstandigheden in zooveel meer cellen aangetroffen, dat de basophile puncteering daartegenover geheel in het niet zinkt.

') Folia haematologica, Bd. 11, 1911.

Sluiten