Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen enkele gevallen van maagbloeding een zoo gering O-verbruik vertoonen, is moeilijk met zekerheid te zeggen. Uit de onderzoekingen van WARBURG e. a. ') weten wij, dat in vitro talrijke stoffen de zelfreductie van het oxyhaemoglobine door de erythrocyten belemmeren, waarbij in het algemeen een zekere evenredigheid blijkt te bestaan tusschen de oplosbaarheid der betreffende stof in lipoiden en haar nadeelige invloed op het oxydatieproces, een regel, waarop uitzonderingen niet ontbreken. Van het voorkomen van dergelijke stoffen in het bloed is tot nu toe niets bekend; onderzoekingen daaromtrent zijn echter, voorzoover mij bekend, nog niet ingesteld. Voorloopig ligt het daarom meer voor de hand de oorzaak in het geringe aantal jeugdige erythrocyten in het bloed te zoeken.

De geringe waarden van het O-verbruik bij maligne tumoren dringt ons aan te nemen, dat hier slechts weinig normale, jonge bloedcellen in de circulatie worden gebracht, hetgeen op gebrekkige regeneratie van de zijde van het beenmerg wijst. Hier bestaat dus een verschil met wat door BARCROFT bij zijn proefdieren met sarcomen is gezien.

Een vergelijking van de resultaten van het onderzoek omtrent de vitale korreling en van dat naar het O-verbruik bij verschillende anaemiën toont aan, dat een zekere overeenstemming tusschen de uitkomsten dezer beide methoden meestal onmiskenbaar is. Soms echter ontbreekt zij. Een zoo verregaand paralellisme als door HARROP ) is beschreven, wiens onderzoek zich echter over een veel kleiner aantal gevallen dan het mijne uitstrekt, heb ik dus niet aangetroffen. Soms is de vitale korreling gering bij een sterk zuurstofverbruik (M., chron. haemorrhagische nephritis; Mej. S., melanosarcoma hepatis; de W., carcinoma ventriculi), in

') Zie bij Loewy in Oppenheimer, Handb. der Biochemie, Erganzungsband, 1913.

2) 1. c.

Sluiten