Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de volgende vergelijkingen, die het evenwicht voorstellen, nog wordt verduidelijkt:

_ [H+] [HP04--] _ [H+] [HCO,~]

K" [1LPO, ] en " [H,C03]

Zooals dadelijk blijken zal, hangt juist van de concentratie van het ongedissociëerde gedeelte de regulatie af; verandert de [H+] dan moet ook voor alle aanwezige regulateurs de verhouding van gedissociëerd en ongedissociëerd gedeelte veranderen. Het vermogen van het bloedserum om zuren te binden, dat }. F. Mc. Clendon, A. Shedlov en W. T h o m s o n1) de reservealkaliteit noemen, dankt het volgens deze onderzoekers voornamelijk aan het NaHC03. Ook L. Michaelis2) acht de beteekenis van phosphaten en eiwitstoffen gering tegenover die der karbonaten, en gaat dus met de meening van Henderson mee. Uit de concentratie van deze 3 stoffen is hun invloed op de reactie te schatten. ,Het geheele gehalte aan C02 is 0,03 moleculair, het gehalte aan phosphaten ongeveer 0,003 moleculair; uit eene ruwe schatting van het moleculaire gehalte aan eiwitstoffen in het bloed tracht Michaelis hun invloed op de reactie na te gaan •— dit is wel eeriigszins bedenkelijk, zooals de lezer na het boven uiteengezette zal begrijpen — en meent, dat in het allergunstigste geval hun invloed met die van de phosphaten op een lijn kan worden gesteld. De hoeveelheid bloedlichaampjes in het plasma is ook van invloed op de reactie van het bloed, dat namelijk bij dezelfde koolzuurspanning minder alkalisch is, naarmate het meer

') Zie ref. Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, 1918, I, blz. 1010. 2) Die Wasserstofionenkonzentration, S. 88, (1914).

Sluiten