Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

L. J. Henderson en K. Spiro 1) de volgende dissociatie-constanten uit de physisch-chemische literatuur bijeen brengen:

hippuurzuur . . . . K = 2,22.10—4

melkzuur K == 1,38.10"4

oxaalzuur K = 1.10—1

urinezuur K = 1,5.10 6

H2 PO.t K = 2.10-7

H2 COs K = 3.10~7

Van twee zuren, die onder pathologische omstandigheden in de urine voorkomen nml. /3-oxyboterzuur en aceetazijnzuur hebben zij zelf deze constante bepaald: /3-oxyboterzuur . . . . K — + 2.10 5

aceetazijnzuur K = + 1,5.10 1

Met behulp van deze getallen hebben zij kurven geconstrueerd, waarin voor een vijftal reacties, die ongeveer de reactie van normaal bloed, bloed bij acidosis, van normale urine, van sterk zure urine en van de allerzuurste urine moeten voorstellen, alle evenwichtsvoorwaarden zijn te vinden. In deze kurven geeft de ordinaat in percenten aan, hoeveel vrij zuur aanwezig is. Hieruit blijkt, dat bij zeer zure urine 99,5 °/o van de phosphaten als primair phosphaat aanwezig is, bij normale aciditeit ongeveer 94 °/o. In normaal bloed zou volgens deze graphische voorstelling van de phosphaten slechts 13 °/o als primair phosphaat aanwezig zijn, de rest, ongeveer 85 °/o, dus als secundair phosphaat. Bij de afscheiding houdt dus het lichaam bijna de helft van het alkali, dat met phosphorzuur verbonden is, terug. Ook urinezuur geeft het grootste gedeelte alkali, waaraan

') Biochem. Zeitschr., Bd. 15, S. 106, f1909).

Sluiten