Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bepalen van de koolzuurspanning van de urine.

vorsch. Gewoonlijk gebruikte ik de urine van de eene zijde voor het bepalen der koolzuurspanning, die bekend moest zijn voor de bepaling langs electrometrischen weg van de reactie van de urine, waarvoor ik dan de urine van de andere zijde gebruikte. De noodzakelijkheid, om de koolzuurspanning van de urine voor dit doel te kennen, zal later blijken.

Dat het theoretisch mogelijk is, met 1 cM.3 vloeistof een bepaling van de koolzuurspanning uit te voeren, licht K r o g h zelf met een voorbeeld toe, maar zelfs 0,2 cM.s is voldoende, hoewel ik gewoonlijk met meer vloeistof werkte. Het volgende voorbeeld zal dit duidelijk maken: in 0,2 cM.3 water is ongeveer 10 mM.3 koolzuur bij eenen partiëelen druk van het koolzuur van 37 mM. kwik of 5 volumenpercent opgelost. Een koolzuurvrije gasbel van eenen inhoud van 5 mM.3 groot genoeg voor een analyse, heeft om daarmee

in evenwicht te komen 5 = 0,25 mM.' C02 noo-

dig. De vloeistof wordt dus bij het tot stand komen van het evenwicht armer aan koolzuur, de koolzuurspanning wordt dus iets lager, zoodat niet geheel 0,25 mM.3 uit de vloeistof in de gasbel overgaat en iets meer dan 10— 0,25 — 9,75 mM.3 C02 opgelost blijven. De koolzuurspanning van de vloeistof zou daardoor van 37 mM. kwik op 36,1 mM. kwik zinken. Dit is een verschil in koolzuurspanning van 0,1 °/o en valt binnen de grenzen der fouten van de methode.

Voor de meting van de koolzuurspanning der urine heb ik trechter 1 van het toestel van K r o g h in een schaaltje met kwik gedompeld, terwijl ook de trechter met kwik gevuld is. In de capillair was een luchtbel

Sluiten