Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik zou, al deed ik het ook slechts vluchtig, het dier in den godsdienst niet behandeld hebben, wanneer legenden en godsdienstige voorstellingen niet werkten en nog werken in de letterkundige dierverhalen; maar vooral leek me die korte bespreking onontbeerlijk, omdat het dier in ons nog dezelfde voorstelling wekt als in den primitieven mensch, dezelfde angsten en vroolijke ontroeringen. Wij echter zijn gewapend met het weten, dat men ons op school geleerd heeft, en sterk door een critische denkwijze, die in ons ontwikkeld wordt. Wezenlijk staat de liefde voor katten der beschaafde menschen van tegenwoordig, de bewondering voor katten, waarvan moderne schrijvers en schrijfsters getuigen, niet zoo ver af van den kattendienst der oude Egyptenaren. Als de schoolmeester en de geestelijke er niet waren, zouden er dan geen eenvoudige strandbewoners zijn, die meenen konden, dat een bovennatuurlijk dierlijk wezen des avonds de zon vanuit de zee opzuigt?

Het was alles zoo poëtisch, het lag zoo voor de hand, en het bond een band tusschen menschen en tusschen die dieren zelfs, die nu zoo ver van ons zijn afgedwaald.

Sluiten