Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het voor den geleerde de oorsprong der fabels na te gaan, en in deze beschouwing kan ik het daar zeker niet over hebben. Zij zijn van overal gekomen en overal naar toe gestoven: Oostersche, Afrikaansche, Noordelijke. Zij hangen dikwijls met elkaar samen, en vinden misschien nu eens in godsdienstige voorstellingen, in aan den hemel door primitieve menschen waargenomen verschijnselen van zon en maan sterren en wolken hun oorsprong, berusten dan weer op de feiten, die de menschen in 't dierenleven het meest opvielen.

Zooals de zeventiende-eeuwsche Franschman Perrault de sprookjesschat, die we nu nog onze kinderen navertellen, een vasten vorm gegeven heeft, is het de zeventiende-eeuwsche Fransche dichter Jean de la Fontaine, die al die oude fabels in een bundel, die we van geslacht op geslacht kunnen nalaten, heeft saamgebracht. Hij maakte droge zinnen van Aesopus en Phaedrus — men meent dat deze hun fabels weer den Indiër Pilpay ontleend hebben tot levende versjes, kleine tooneelstukjes op zichzelf, waarin de dieren wel een vaste rol hebben en meestal 't zelfde karakter, maar ze altijd leven als aparte wezentjes. In deze tijden heeft men La Fontaine wel verweten, dat hij in zijn fabels de ziel van het dier niet begrepen heeft. Maar men kan hem toch niet den roem onthouden, dat hij den vorm van de dieren met de mooiste lijntjes heeft geschetst, en dat hij dan de dierenziel zoo levend heeft bedicht, dat we eeuwen geloofd hebben, dat 't zóó was als hij 't ons vertelde. Andere fabeldichters als bijv. Florian (1755-1794). Fénelon (1651-1715), Lessing (1729-1781), Hey (17891854) hebben niet zulke levendige dierfabels als La Fontaine kunnen dichten. Bij hen, vooral bij

Sluiten