Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kozen heeft. Een moderne Hebreeuwsche fabeldichter, Jehoeda Steinberg, (1861-1908) vecht zelfs tegen dogmatische godsdienst en orthodox geloof in enkele fabels uit zijn bundel „Baïr oewajaar" (In stad en woud).

Het zuiver verhalend fabeltje, dat eigenlijk een vertelsel op rijm is en dan ook op de grens tusschen dierfabel en diergedicht staat, misschien alleen fabel kan genoemd worden door een zekere vermenschelijking van het dier, vinden we veel bij den Duitscher Wilhelm Hey, die in het bijzonder voor kinderen zijn fabels dichtte.

Allerlei fabels tezamen hebben ten slotte het groote belangrijke dierverhaal der middeleeuwen gemaakt, dat later zelf weer een ware bron voor 't fabeldichten is geweest: den reinaardroman. Men kan wel aannemen, dat naast La Fontaine's fabelen de reinaardroman, zooveel vroeger dan de zeventiende-eeuwsche dichtbundel geschapen, heeft bijgedragen tot de vorming eener conventioneele dierenkarakterologie, die nu eens juist, dan weer onjuist, onze kinderen geleerd wordt zoodra hun besef ontwaakt.

Deze reinaardroman, die in Noord-Frankrijk tegen de elfde eeuw ontstond, is een verzameling van afzonderlijke dierverhalen, welke den vos als hoofdpersoon hebben. De afzonderlijke gedeelten van den berijmden roman noemde men „branches". De geheele wereldfabelschat heeft aan de vorming van het verhaal meegewerkt. Op directe wijze ontstond het o.a. uit een middeleeuwsch Latijnsch gedicht: de Isengrimus, in 1147 te Gent gedicht, dat nog de wolf als hoofdpersoon had. Dat deze reinaardroman zulk een goede ontvangst vond bij veel

Sluiten