Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zagen het weer, bij beer en wolf af kan wijken van een andere conventioneele psychologie. De grootmoedige leeuw der traditie bijvoorbeeld, zooveel edeler dan de valsche tijger, de dankbare edelman onder de dieren, die Androcles redde en Daniël spaarde, is niet gelijk Nobel, de goedgeloovige en prikkelbare dierenkoning van den reinaardroman, waarin het volk het portret van een door de edelen gekoejeneerden vorst zien wilde.

Fabels en reinaardroman, ervaring en verbeelding, hebben het zoo beslist, dat de vos voor ons de slimme guit, ondanks zijn booze daden sympathiek geworden is. De wolf daarentegen is een domme, heerschzuchtige, gulzige geweldenaar, de beer een trage, zelfingenomen botterik. De kater Tybert is voor Reinaard de vijand, die het moeilijkst te verschalken is, slim, slank, lenig en bedachtzaam, maar ook eindelijk slachtoffer van zijn gragen eetlust. De leeuw is een trotsche monarch, die zóó ijdel is, dat men door vleierij alles van hem gedaan kan krijgen, en zóó willekeurig, dat het dierenvolk lijdt onder zijn beschikkingen, welke elkander tegenstrijdig zijn al naar de gunsteling, die ze hem ingeeft. Dom ook en knorrig is de das, en naïef goedgeloovig de haas.

Deze conventioneele psychologie is ten deele willekeurig (leeuw, haas) en steunt ten deele op de eerste oppervlakkige waarneming van het dier (vos, kater, beer).

Wanneer een willekeurige dierenkarakterleer steeds maar herhaald wordt en onzen kinderen altijd weer geleerd, ontstaat ten langen leste de „conventioneele dierpsychologie". De reinaardroman, de fabels, vanaf de middeleeuwsche „yopets" en „bes-

Sluiten