Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tiaires tot La Fontaine en Lessing, maar vooral ook de sprookjes, waarin de dieren als gelijken van den mensch optreden en die zoo hecht verbonden zijn met de dierverhalen der folklore, handhaven deze conventioneele dierpsychologie. In „Roodkapje" maakt het kind voor 't eerst kennis met den wolf als boozen belager der menschen, in „het leelijke jonge eendje" met den edelen zwaan, den vogel van Lohengrin. Deze sprookjes, die weer uit mythologieën en astrologiën der primitieve menschen voortkomen, hebben de eigenaardige charme, dat zij den Keltischen eik, de Arabische tent, het Germaansche bosch verbinden met de kinderkamer van moderne stadshuizen en met de eerste klassen van een in nieuwen stijl opgetrokken volksschool.

De hehoefte willekeurige dierpsychologie te scheppen blijft in de menschheid leven, en het is slechts onze tijd, waarin niets meer hoofdzaak zijn kan en alles ten opzichte van elkaar bijzaak, waarin boeken en de figuren, die ze ons brengen, zoo spoedig na geboorte sterven, die belet, dat ook nu nog de willekeurige dierpsychologie van een of anderen schrijver tot conventioneele wordt.

Ik noem twee belangrijke „vermenschelijkende" voortbrengselen der dierenletterkunde uit de laatste halve eeuw: Kiplings „Junglebook" en Rostand's tooneelstuk „Chantecler".

In deze beide zijn tal van nieuwe en geheel willekeurig vermenschelijkte dierkarakters geschapen, die echter niet tot vaste dierlijke karakters in de verbeelding der menschen konden verstijven.

Kipling, wiens zoo belangrijk werk voor het onderwerp, dat ons bezighoudt, niet geheel tot de „vermenschelijkende" dierletterkunde gerekend mag worden — het heeft ook waarde als realistische en

Sluiten